Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 4

Het opdragen van een tegenprestatie

Onderdeel van Verordening Tegenprestatie Participatiewet

1.. Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen. 2.. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan: De belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; De belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is en dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; De belanghebbende die aantoonbaar betaalde arbeid verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening. Belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 3.. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen; de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen; als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.

Rechtspraak bij dit artikel