**1..** Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
**2..** In afwijking van het eerste lid draagt het college geen
tegenprestatie op aan:
De belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht
dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een
tegenprestatie als bedoeld in deze verordening;
De belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het
verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het
college redelijkerwijs noodzakelijk is en dat naar aard en
omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als
bedoeld in deze verordening;
De belanghebbende die aantoonbaar betaalde arbeid verricht
dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een
tegenprestatie als bedoeld in deze verordening.
Belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is
als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
**3..** Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
met de volgende factoren:
de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
door een belanghebbende
de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;
de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
moeten in overweging worden genomen;
als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
gehouden.
HOOFDSTUK 3
Artikel 4
Het opdragen van een tegenprestatie
Onderdeel van Verordening Tegenprestatie Participatiewet