Alvorens hun functie uit te kunnen oefenen leggen de leden van de
rekenkamercommissie in de vergadering van de raad, in handen van de
voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
“Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamercommissie benoemd
te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk
voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb
aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de
Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van
de rekenkamercommissie naar eer en geweten zal vervullen. Zo waarlijk helpe
mij God almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)”.