Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.
Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.
Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en overlegt de geschriften ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, overlegt hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.
Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.
In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.
Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien: a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte, b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.
Iedereen moet volgens artikel 2.38 BRP aangifte van verblijf en adres doen als deze tenminste twee derde van het jaar in Nederland verblijft. Doet hij dit niet dan wordt hem een bestuurlijke boete opgelegd. Voordat het college van burgemeester en wethouders dit doet, roepen we betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep staat een termijn. Verschijnt hij niet op of voor deze datum, dan krijgt betrokkene een tweede oproep. In de oproepen staat de waarschuwingsclausule; verschijnt u niet, dan riskeert u een bestuurlijke boete.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
Betrokkene verschijnt en doet aangifte van verblijf en adres. Het college van burgemeester en wethouders overweegt om van een boete af te zien.
Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van burgemeester en wethouders betrokkene niet in te schrijven in de BRP en legt geen boete op.
Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene niet in Nederland woont. In dat geval besluit het college betrokkene ambtshalve op te nemen als ingeschreven en legt een bestuurlijke boete op volgens artikel 2.38 Wet BRP.
Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt overeenkomstig het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene verblijft op een adres in Nederland. Is dat het geval, dan volgt na het doorlopen van de voornemenprocedure een besluit tot ambtshalve inschrijving en een boete oplegging volgens overtreding artikel 2.47 en artikel 2.38 Wet BRP.