De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.
Iedereen moet volgens artikel 2.43 BRP aangifte van vertrek doen als hij emigreert. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete worden opgelegd. Voordat het college van burgemeester en wethouders dit doet, roept het college betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep staat een termijn. Verschijnt hij niet op of voor deze datum, dan krijgt betrokkene een tweede oproep. In de oproepen staat de waarschuwingsclausule; verschijnt u niet, dan riskeert u een bestuurlijke boete.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
Betrokkene doet alsnog aangifte van vertrek. Het college kan overwegen geen boete op te leggen.
Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van burgemeester en wethouders betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres of op een ander adres in Nederland en legt geen boete op.
Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. In dat geval besluit het college betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken en legt een bestuurlijke boete op volgens artikel 2.43 Wet BRP.
Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt overeenkomstig het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is vertrokken. Als dat het geval is, dan besluit Het college tot ambtshalve vertrek en legt een boete op volgens overtreding artikel 2.47 en artikel 2.43 Wet BRP.