Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.52

Identificatieplicht bij in persoon verschijnen

Onderdeel van Beleidsregels Wet basisregistratie personen Purmerend

Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, overlegt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en overleggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid. Bij weigering om een ID-bewijs te overleggen legt het college van burgemeester en wethouders de bestuurlijke boete op. Dit kan lastig zijn wanneer het college niet weet met wie zij te maken heeft. Als duidelijk is dat een burger ID-fraude pleegt (hij zich bewust voor een ander uitgeeft, bijvoorbeeld bij een aangifte, als bedoeld in de wet BRP), dan doen we hiervan aan bij de politie. Het sanctioneren van ID-fraude past beter in het strafrecht. De gelegenheidsgever Een gelegenheidsgever is iemand die bewust verklaart of toelaat dat een persoon zich op zijn adres als wonend laat inschrijven zonder de intentie daar feitelijk te gaan wonen. Deze situatie moet bij beiden bekend zijn. Verwijtbaar gedrag Daarnaast moet het wel gaan om verwijtbaar gedrag. Het college van burgemeester en wethouders kan degene die bewust toelaat dat een ander ten onrechte op zijn woonadres is opgenomen een bestuurlijke boete opleggen. Het betreft die gevallen waarin een ingezetene weet dat een ander zijn woonadres misbruikt, in die zin dat die ander ook met dat woonadres is ingeschreven, terwijl hij ook weet dat die ander daar niet woont. Bijvoorbeeld omdat die ander daar voordeel bij heeft voor uitkering of studie. Voorwaarde is wel dat de betrokkene dit bewust toelaat. Hij moet op enigerlei wijze met de situatie hebben ingestemd. We moeten voorkomen dat iemand, die post op zijn woonadres ontvangt voor iemand (al dan niet bij hem bekend) die niet op zijn adres woont, een bestuurlijke boete krijgt enkel en alleen omdat hij geen actie heeft ondernomen, door bijvoorbeeld de gemeente in te lichten. Voor verwijtbaarheid moet bewijs zijn. Dit begint bijvoorbeeld bij een ondertekende verklaring over inwoning op het adres. Hierbij moet de toestemmingsgever verklaren dat hij naar waarheid verklaart dat betrokkene op zijn adres gaat wonen of woont. Ook moet in de verklaring staan dat als hij deze verklaring aflegt terwijl betrokkene niet op dit adres woont hij een bestuurlijke boete riskeert. Bewust gelegenheid geven De gelegenheidsgever moet zich bewust zijn dat hij gelegenheid geeft aan iemand om zich in te schrijven op een adres als woonadres, terwijl hij er feitelijk niet woont. Het begin van bewustzijn ligt bij de ondertekende verklaring, waarin staat dat iemand woont of gaat wonen op zijn adres. Uit het geheel van omstandigheden kunnen we vervolgens afleiden in hoeverre hij betrokkene gelegenheid heeft gegeven zich in te schrijven op een adres, waar hij feitelijk niet woonde. Ten eerste is het bewijs dat betrokkene feitelijk ergens anders heeft gewoond van belang. Dit is af te leiden uit bewijsstukken die we aan de betrokkene vragen tijdens een adresonderzoek, zoals bankafschriften, persoonlijke poststukken, loon en uitkeringsstroken, abonnementen. Het is ook af te leiden uit een terugmelding van een bestuursorgaan, uit verklaringen van betrokkene, van degene die de verklaring inwoning aflegde of anderen. Het kan ook ter plaatse geconstateerd zijn. Daarnaast moeten we altijd nagaan of er nog andere omstandigheden zijn waardoor het aannemelijk is dat bewust gelegenheid is gegeven. Ten tweede is het van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de situatie dat betrokkene er niet woont al bestond toen de verklaring inwoning werd gegeven. Of dat betrokkene er eerst heeft gewoond en later weg is gegaan. Daarvoor moeten we eerst vaststellen hoe lang de periode is dat betrokkene niet meer woont op het adres en of degene die de verklaring inwoning aflegde heeft gemeld dat betrokkene niet langer op dit adres woont. Is dit al een aantal maanden of langer en heeft degene die de verklaring inwoning aflegde de situatie laten voortbestaan? Dan moeten we bepalen of er nog andere omstandigheden die het aannemelijk maken dat bewust gelegenheid is gegeven. Ten derde moeten we bepalen of er andere omstandigheden die aanleiding zijn dat iemand bewust gelegenheid heeft gegeven voor een onjuiste inschrijving op het adres. Onderstaande omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen: De relationele- of familieband tussen betrokkene en degene die de verklaring inwoning aflegde. Hoe beter het contact of beter de familieband, hoe aannemelijker het is dat degene die de verklaring inwoning aflegde weet waar betrokkene feitelijk woont. De feitelijke afspraken over het doorsturen of afhalen van de post. De feitelijke woonsituatie op het adres van de toestemmingsgever, zoals oppervlakte en indeling van de woning, het aantal kamers, het aantal personen, de gestelde verblijfplaats van betrokkene, de aanwezigheid van een slaapplaats of persoonlijke spullen van betrokkene. Als de gelegenheidsgever stelt dat het wél de bedoeling was geweest voor de ander om op zijn adres te komen wonen, maar dat dit door omstandigheden niet door is gegaan, beoordelen we omstandigheden om te kunnen bepalen of dit aannemelijk is. Is dit aannemelijk, dan kunnen we de bestuurlijke boete niet opleggen. Is dit niet aannemelijk, dan kan dat wel. Overigens kunnen we de gelegenheidsgever vrijstellen van de boete, wanneer hij alsnog informatie over het adres van de burger geeft. De mogelijkheid van het opleggen van een boete kan al een afschrikkende werking hebben op mensen die er over denken hun familieleden behulpzaam te zijn bij het plegen van onder meer studiefinancieringsfraude. Van belang is dat dit voor de burger duidelijk is (bijlage 5 C)

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel