Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien:
op grond van aanwijzingen die tijdens de indicatie duidelijk zijn geworden, het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager of diens vertegenwoordiger problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget;
de gemeente, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van maatwerkvoorzieningen ten behoeve van het kind zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van de minderjarige tot gevolg zal hebben;
aanvrager zich bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget niet aan de opgelegde verplichtingen heeft gehouden.
Hoofdstuk 1
Artikel 6
Afwijzingsgrond voor een pgb
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2015