Naar hoofdinhoud
1.. De toeslag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20% van de norm als bedoeld in artikel 28, lid 1, onderdeel d, voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2.. De toeslag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10% van de norm als bedoeld in artikel 28, lid 1, onderdeel d, voor de jongere die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. 3.. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomenals een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: Minderjarige niet ten laste komende kinderen. Zorgbehoevenden of verzorgenden, tenzij er sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel