1.De aanslagen voor het recht als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid moeten worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
2.In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00, maar minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen.
3.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
4.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet moet het reinigingsrecht worden betaald ingeval de kennisgeving, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
5.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.