Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 2

Het opdragen van een tegenprestatie

Onderdeel van Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Delfland 2015

In het eerste lid van artikel 2 is vastgelegd dat het college bepaalt of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen het besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan de uitkeringsgerechtigde bezwaar en beroep aantekenen (TK 2013-2014, 33801, nr. 7, p.49). In het tweede lid van dit artikel is vastgelegd met welke factoren het college rekening moet houden bij het opleggen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hieronder toegelicht. Factor: tegenprestatie ‘naar vermogen’ De werkzaamheden die als tegenprestatie worden ingezet, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term ‘naar vermogen’ heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Daarbij spelen verschillende zaken een rol, zoals de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de uitkeringsgerechtigde, de mogelijkheid om op de werkplek te komen en de afstemming op zorgtaken. Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij het opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33801, nr. 7, p.49). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet deze activiteit voldoen aan hetgeen bepaald is in artikel 3, lid 1 van de verordening en moet deze activiteit beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt de belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college een of meerdere mogelijke werkzaamheden voor. Als belanghebbende geen keuze maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college en niet aan de belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel