Artikel 2.11 wordt gewijzigd en zal komen te luiden:
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
aan te leggen, de
verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te
spitten, aard of breedte
van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
brengen in de wijze
van aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend:
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
activiteiten zijn
verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening,
exploitatieplan of
voorbereidingsbesluit; of
door het college in de overige gevallen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
opdracht van een
bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden
verricht.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door het
Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken , het
provinciaal
wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de
daarop
gebaseerde Verordening ondergrondse infrastructuur 2014.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van
de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) van toepassing.
Artikel I
Artikel I
Onderdeel van Wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2013 gemeente Laarbeek