1.
Na de aanvang van het belastingjaar of het kalenderjaar kan aan belastingplichtige een voorlopige aanslag worden opgelegd of kan van de belastingplichtige een voorlopig bedrag worden gevorderd tot het hoogste bedrag waarop de aanslag of het gevorderde bedrag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.
2.
Na aanvang van het belastingtijdvak kunnen aan de belastingplichtige maandelijks voorlopige gevorderde bedragen worden opgelegd ter grootte van een twaalfde gedeelte van het van toepassing zijnde jaartarief.
Hoofdstuk II
Artikel 4