Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

REACTIES OP DRUGSHANDEL IN OVERIGE OPENBARE GELEGENHEDEN

Onderdeel van beleidsregel Damocles

1.. De burgemeester reageert in beginsel op de hierna vermelde wijze op handel in drugs in een openbare gelegenheid die geen coffeeshop is: handel in harddrugs: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 1 jaar; handel in softdrugs: 1.. indien dat geschiedt in combinatie met een feit dat voor coffeeshops géén overtreding van een of meer gedoogregels betekent: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 4 weken; 2.. indien dat geschiedt in combinatie met een feit dat voor coffeeshops een overtreding van een of meer gedoogregels betekent, indien het feit betreft: a.. affichering voor softdrugs: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 8 weken; b.. overlast veroorzaken: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 26 weken; c.. verkoop van softdrugs aan jeugdigen: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 1 jaar; d.. toegang tot de openbare gelegenheid voor jeugdigen: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 26 weken; e.. verkoop van meer dan vijf gram softdrugs per transactie: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 26 weken; f.. handelsvoorraad van meer dan 500 gram: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 26 weken; g.. handel tussen 00.00 en 12.00 uur: sluiting van de openbare gelegenheid voor een periode van 8 weken. De betekenis van genoemde feiten komt overeen met hetgeen in artikel 5, vierde lid is vermeld, uitgezonderd de uitzondering vermeld in artikel 5, vierde lid, onder a. 2.. Indien niet meer dan vijf volle jaren zijn verlopen tussen de dag waarop de burgemeester de sluiting van een openbare gelegenheid heeft bevolen en de dag waarop het feit plaatsvindt dat leidt tot een nieuw bevel tot sluiting van een openbare gelegenheid op dezelfde locatie, dan heeft dat tot gevolg dat de toepasselijke sluitingsperiode wordt verdubbeld. 3.. Met nadruk wordt erop gewezen dat een sluiting voor een periode van ten minste een maand, op grond van artikel 5, eerste lid van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, leidt tot intrekking van de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet dan wel van de gemeentelijke Verordening op de Openbare Inrichtingen. Leidinggevenden (ondernemers, bedrijfsleiders, beheerders) van het betreffende horecabedrijf zijn dan gedurende de eerstvolgende 5 jaar niet meer gerechtigd op te treden als leidinggevende in een horecabedrijf.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel