Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.1.3.

Intrekken vergunning

Onderdeel van Brandbeveiligingsverordening

1.Burgemeester en wethouders kunnen een ontheffing of vergunning intrekken indien: voor het verkrijgen daarvan verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren; zich naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien daarvan feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de ontheffing of vergunning gevaar zou kunnen opleveren voor de brandveiligheid; niet langer wordt voldaan aan de in deze verordening gestelde verboden, beperkingen of voorschriften of de in de ontheffing of vergunning gestelde beperkingen of voorschriften; van de ontheffing of vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de ontheffing of vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden; van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; het belang waarvoor de ontheffing of vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen. Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar

Rechtspraak bij dit artikel