Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 7

Invordering

Onderdeel van beleidsregels herziening, terugvordering en verhaal 2015

1.. Indien mogelijk dient de debiteur de vordering in één keer af te lossen. 2.. Indien aflossing in één keer niet mogelijk is, vindt de aflossing van de vordering in maandelijkse termijnen plaats. 3.. Aflossing debiteur met uitkering Voor de debiteur met een uitkering wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op het maandelijks voor beslag vatbare bedrag. Aflossing geschiedt maandelijks middels een inhouding op de uitkering, het vakantiegeld wordt jaarlijks in één keer geïnd. Indien het onder a genoemde niet mogelijk is, wordt voor zover de debiteur binnen Nederland staat ingeschreven in de Basisregistratie personen, op basis van een onderzoek een bedrag naar draagkracht vastgesteld, waarbij de Tremanormen worden toegepast en de debiteur geacht wordt minimaal een inkomen op bijstandsniveau te verwerven. 4.. Aflossing debiteur zonder uitkering Voor de debiteur zonder uitkering wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op een bedrag van € 150 per maand, voor zover de (bruto) vordering binnen 36 maanden volledig kan worden afgelost. Indien het onder a genoemde niet mogelijk is, wordt voor zover de debiteur binnen Nederland staat ingeschreven in de Basisregistratie personen, op basis van een onderzoek een bedrag naar draagkracht vastgesteld, waarbij de Tremanormen worden toegepast en de debiteur geacht wordt minimaal een inkomen op bijstandsniveau te verwerven. Indien de debiteur zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft of niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen wordt geen onderzoek naar draagkracht gedaan en op basis van art. 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgezien van het gebruik van een beslagvrije voet. 5.. Indien de debiteur een vordering heeft op het college dan wordt deze verrekend met een vordering zoals bedoeld in artikel 58 en 59 van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel