De ambtenaar zal als gevolg van de melding van een vermoeden van een
misstand geen nadelige gevolgen ondervinden voor zijn rechtspositie.
Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval verstaan besluiten
tot: a. het verlenen van ongevraagd ontslag; b. het niet verlengen
van een aanstelling voor bepaalde tijd; c. het niet omzetten van een
aanstelling voor bepaalde tijd in een vaste aanstelling; d. de
opgelegde benoeming in een andere functie; e. het treffen van
disciplinaire maatregelen; f. het onthouden van salarisverhoging,
incidentele beloning of toekenning van vergoedingen; g. het
onthouden van promotiekansen en h. het afwijzen van een
verlofaanvraag, voor zover deze besluiten worden genomen vanwege de
door de ambtenaar gedane melding van een vermoeden van een
misstand.
Het college draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins bij de
uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de melding
ondervindt.
Het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel geldt ook voor de
ambtenaar die te goeder trouw een vermoeden van een misstand meldt
in een andere organisatie dan die van de gemeente, volgens een bij
die organisatie geldende regeling. De bescherming geldt alleen als
de ambtenaar - uit hoofde van zijn functie met die andere
organisatie samenwerkt of heeft samengewerkt; - uit hoofde van zijn
functie kennis heeft verkregen van de vermoede misstand; - het
vermoeden van de misstand tijdig bij zijn leidinggevende heeft
gemeld; - zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze
melding met hem zijn gemaakt door het college.