**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
Participatiewet, wordt een verlaging toegepast die wordt afgestemd
op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging
eerder of langer recht heeft op bijstand.
**2..** De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
wijze vastgesteld:
bij een periode tot 3 maanden: twintig procent van de
bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een periode van 3 tot 6 maanden: twintig procent van de
bijstandsnorm gedurende drie maanden;
bij een periode van 6 maanden en langer: twintig procent van
de bijstandsnorm gedurende zes maanden.
**3..** Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld, bedraagt de
verlaging twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een
maand.
**4..** Bij een combinatie van algemene en bijzondere bijstand wordt de
verlaging toegepast op de algemene bijstand.
**5..** In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij het onverantwoord
interen van het eigen vermogen een verlaging wordt toegepast van
twintig procent over een zodanige periode dat het bedrag van de
verlaging gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel
interen extra is verstrekt, doch maximaal vijf jaar.
**6..** Onder onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt verstaan
een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan,
welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal de van
toepassing zijnde bijstandsnorm, zo nodig aangevuld met een bedrag
voor de ziektekostenverzekering.
**7..** In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand of
de individuele inkomenstoeslag worden geweigerd, indien het beroep
op bijzondere bijstand dan wel de individuele inkomenstoeslag het
gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Hoofdstuk 4
Artikel 12
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Laarbeek