De hoogte van het in artikel 14 van de Verordening Leerlingenvervoer 2014 genoemd drempelbedrag is gerelateerd aan de kosten van het openbaar vervoer. Stijgen de kosten van het openbaar vervoer, dan stijgt het drempelbedrag evenredig mee.
Het drempelbedrag wordt berekend op basis van een heel schooljaar (200 schooldagen). Als slechts een gedeelte van het schooljaar gebruik gemaakt wordt van leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag berekend naar rato van het aantal schooldagen.
Ouders zijn het drempelbedrag niet verschuldigd wanneer hun inkomen beneden een bepaalde grens ligt.
De peildatum van dit inkomen is 2 jaar voor het aanvraagjaar.
Bij een structurele inkomensdaling van minimaal 15% waardoor men onder de aangegeven inkomensgrens komt, kan het peiljaar verlegd worden en van een ander jaar worden uitgegaan.
Als gedurende het schooljaar sprake is van een inkomensdaling van tenminste 15% wordt geen peiljaarverlegging meer toegepast.
Peiljaarverlegging moet schriftelijk worden aangevraagd.
Voor de beoordeling of een drempelbedrag verschuldigd is, moeten ouders een volledig ingevuld IB-60 formulier indienen. Bij een aanvraag zonder volledig ingevuld IB-60 wordt automatisch het drempelbedrag in rekening gebracht.
Gezien het maatschappelijk belang van de inzet van pleegouders wordt aan deze verzorgers geen drempelbedrag in rekening gebracht.
In geval van gescheiden (levende) ouders telt bij samenwoning van de aanvragende ouder met een (nieuwe) partner het verzamelinkomen van zowel de aanvragende ouder als diens nieuwe partner mee voor de bepaling van het drempelbedrag. Als met een partner wordt samengewoond, wordt deze partner beschouwd als verzorger van de leerling.