Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Gemeente Tytsjerksteradiel 2010

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Tytsjerksteradiel van 26 november 2009. De Raad voornoemd, de griffier de voorzitter mr. S.K. Dijkstra G.J. Polderman Algemene toelichting De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ. De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan in de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij het recht op bijstand voorop staat met als afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een “paradigmawisseling” beoogd: is het uitgangspunt in de WWB “een uitkering, mits”, in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangspunt “geen uitkering, tenzij”. Deze uitkering, de zogenaamde inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd. Relatie met de WWB Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in principe geen bijstand meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30 september 2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de algemene bijstand wordt beëindigd, maar uiterlijk 1 oktober 2010. Om die reden is een aanpassing van de Toeslagenverordening WWB aan de WIJ (nog) niet aan de orde. Dit zal eerst per 1 oktober 2010 zijn beslag krijgen. Omdat niet uitgesloten kan worden dat zich in de tussentijd ontwikkelingen zullen voordoen die nopen tot een inhoudelijke wijziging van de Toeslagenverordening, is het nu nog te prematuur om een wijzigingsvoorstel voor de Toeslagenverordening WWB aan te bieden. Bij het inrichten van de WIJ is er op het punt van de inkomensvoorziening uitdrukkelijk voor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB, op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand en terugvordering en verhaal. Die aansluiting is niet in alle opzichten volledig gerealiseerd, maar ten aanzien van het te voeren toeslagen- en verlagingenbeleid is sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB. Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening WWB. Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren In de WIJ is bepaald dat het beleid van de gemeente ten aanzien van het verhogen en verlagen van de norm wordt vastgelegd in een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. Uit de verordening moet blijken voor welke categorieën de landelijke normen worden verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Het is niet mogelijk, maar ook niet nodig om alle mogelijke situaties uitputtend te beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). De verhoging van de norm is in voorkomende gevallen een verplichting. De verlaging van de norm is geen verplichting, maar een mogelijkheid waarvan het college gebruik kan maken. Normen De normensystematiek, zoals die thans in de WWB is vastgelegd, is uit overwegingen van uitvoerbaarheid in de WIJ zoveel mogelijk overgenomen. Dit betekent dat onderscheid is gemaakt tussen normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18-21 jaar) en oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Voor beide leeftijdsgroepen zijn de normen identiek aan de normen die momenteel in de WWB voor beide groepen gelden. Dit geldt ook voor de normen die van toepassing zijn bij verblijf in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden van een inkomensvoorziening. In hoofdstuk 4 van de WIJ (“Recht op inkomensondersteuning”) zijn de normen vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties. Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal basisnormen, te weten: gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm); alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm; alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm. Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering, die is afgestemd op de kinderbijslag. Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde kan worden gemaakt. Artikel 12 WWB (onderhoudsplicht ouders) blijft voor deze groep onverkort van toepassing. Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. Toeslagen In artikel 30, lid 1, WIJ staat dat de alleenstaande of alleenstaande ouder van 21 jaar tot 27 jaar die de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel kan delen met een ander recht heeft op een toeslag. Dit is het geval wanneer niet nog iemand anders zijn hoofdverblijf in de woning van de jongere heeft. Het college bepaalt de hoogte van de toeslag, onder toepassing van de volgende wettelijke bepalingen: de toeslag bedraagt per kalendermaand maximaal 20% van de gehuwdennorm; de alleenstaande of alleenstaande ouder die daadwerkelijk alleen woont, heeft recht op de maximale toeslag. Verlagingen Het komt ook voor dat de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan lager zijn dan het bedrag van de norm, eventueel verhoogd met een toeslag. Het college heeft in die gevallen de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Op grond van artikel 31 WIJ kan het college voor gehuwde jongeren de norm verlagen, in het geval zij de de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander. Op grond van artikel 32 WIJ kan het college voor de jongeren de norm of de toeslag lager vaststellen in verband met de woonsituatie. Op grond van artikel 33 WIJ is verlaging van de norm of toeslag gedurende zes maanden mogelijk als de jongere een schoolverlater is. Op grond van artikel 34 WIJ tot slot kan het college bij een 21- of 22-jarige alleenstaande de toeslag verlagen, als zij van oordeel is dat, gezien de hoogte van het wettelijk minimumloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid. De beide laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in combinatie met elkaar worden toegepast. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel