**1..** Indien de medewerker het –ondanks de besproken argumenten- oneens is met de conceptbeoordeling van de leidinggevende, dient hij zijn bedenkingen uiterlijk binnen veertien dagen na het gevoerde beoordelingsgesprek of nadat de aanpassingen als bedoeld in het zevende lid van artikel 3 zijn verwerkt, schriftelijk en gemotiveerd aan de naasthogere leidinggevende kenbaar te maken. De medewerker moet concreet aangeven waarom het conceptoordeel over zijn functioneren onjuist is.
**2..** Degene, die de beoordeling vaststelt, plant op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk binnen 2 weken na ontvangst van de bedenkingen een nader gesprek over de aangeleverde conceptbeoordeling en de zienswijze van beoordeelde. Hij hoort daarbij zowel de medewerker als degene die de beoordeling heeft opgemaakt, tenzij hij zelf degene is die de conceptbeoordeling heeft opgesteld en komt tot een eindbeoordeling.
**3..** Degene, die de beoordeling vaststelt, ondertekent het beoordelingsformulier en laat –indien dit gelet op de inhoud van het gesprek en de aantekeningen op het beoordelingsformulier nodig is- een gespreksverslag opmaken. De medewerker en de leidinggevende ontvangen een afschrift van het beoordelingsformulier en het eventuele gespreksverslag.
**4..** De beoordeling wordt formeel vastgesteld door middel van het aan de betrokken medewerker overhandigen van een afschrift van het door zowel medewerker als leidinggevende ondertekende beoordelingsformulier zo spoedig mogelijk na afloop van de ongebruikte bedenkingentermijn als bedoeld in het eerste lid van dit artikel doch in elk geval binnen 8 weken na het beoordelingsgesprek of expliciet door middel van een brief waarin eveneens eventuele rechtspositionele consequenties staan.