Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 10

Algemene regels rond het persoonsgebonden budget voor ondersteuning bij zelfstandig wonen, vervoer en bij zelfredzaamheid en participatie

Onderdeel van Beleidsregels Wmo 2015

1.. Het college verstrekt op verzoek van de cliënt een pgb voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening of in de vorm van een zaak, nadat het college heeft beoordeeld of de cliënt in het kader van het verstrekken van een pgb redelijkerwijs in staat is zijn belangen te behartigen en de verantwoordelijk voor het inkopen van diensten of zaken en het afsluiten van contracten kan dragen. Het college betrekt in het onderzoek (niet limitatief): een curatele, beschermingsbewind of mentorschap dat over de cliënt is uitgesproken; de besteding van een eerder aan cliënt verstrekt pgb; de financiële en eventuele schuldenpositie van de cliënt; de inhoud van het gesprek met de cliënt over het pgb; de aanwezigheid van een vertegenwoordiger of een persoon uit het sociale netwerk die de cliënt kan bijstaan. 2.. Met het pgb dient de cliënt een kwalitatieve en effectieve zaak of dienst in te kopen. Het college beoordeelt de kwaliteit en effectiviteit aan de hand van de maatwerkvoorziening die zou zijn verstrekt en het plan van eisen of het plan van aanpak. 3.. Het college bepaalt de hoogte van het pgb voor een zaak of dienst op basis van het plan van eisen of het plan van aanpak en aan de hand van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. De kostprijs wordt bepaald door: een aanbesteding; een consultatie in de markt; overleg met de aanbieder of leverancier; een of meer offertes die door de cliënt zijn opgevraagd. Het college kan de hoogte van het pgb voor een zaak baseren op beschikbare tweedehandse voorzieningen, waarbij rekening gehouden wordt met de kortere levensduur van een tweedehands voorziening. De cliënt kan een dienst of zaak inkopen die meer kost dan de goedkoopst adequate voorziening en zelf het verschil tussen het pgb en de prijs van de door de cliënt gewenste voorziening betalen. 4.. De hoogte van het pgb voor een dienst is afhankelijk van de aanbieder een van de volgende percentages van de kostprijs: voor gekwalificeerde aanbieders 75% van de kostprijs; voor niet-gekwalificeerde aanbieders 50% van de kostprijs; voor personen uit het sociale netwerk van de cliënt 25%. Het college vindt een aanbieder gekwalificeerd wanneer deze voor wat betreft opleidingsniveau aantoonbaar voldoet aan de eisen die aan (het personeel van de) aanbieder met wie de gemeente een overeenkomst heeft afgesloten, gesteld worden, en aantoonbaar voldoet aan de in artikel 13 Verordening Wmo 2015 gestelde kwaliteitseisen. 5.. De uitbetaling van het pgb gebeurt op grond van het trekkingsrecht (artikel 2.6.2 van de wet) door de Sociale Verzekeringsbank, tenzij het een eenmalig uitbetaling betreft. Het college voldoet eenmalige uitbetalingen na ontvangst van de desbetreffende nota en zo veel mogelijk rechtstreeks aan de leverancier. 6.. Het college hanteert een eenmalig vrij besteedbaar bedrag van € 250,– waarover de cliënt geen verantwoording hoeft af te leggen. 7.. Het college controleert de besteding van een pgb voor een zaak door de cliënt te verplichten na levering van de zaak de desbetreffende nota aan het college te overleggen. Het college kan zo nodig ter controle een huisbezoek afleggen. 8.. Het college voert de controle op de besteding van het pgb voor een dienst uit tezamen met het periodiek heronderzoek zoals bepaald in artikel 10 van deze beleidsregels, of zoveel eerder als de voorziening eindigt. Het college controleert in ieder geval of de dienst is geleverd door de persoon of de organisatie bij wie de dienst is ingekocht. 9.. De cliënt dient de voor het onderzoek relevante bewijsstukken in ieder geval twee kalenderjaren te bewaren zodat het college de controle op de besteding kan uitvoeren. In de beschikking wordt opgenomen welke bewijsstukken dit betreft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel