Naar hoofdinhoud
1.. Het in artikel 1, eerste lid, bedoelde mandaat geldt slechts voor inrichtingen waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, of categorie 4 van bijlage I van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334) van toepassing is. 2.. Het mandaat heeft uitsluitend betrekking op besluiten en handelingen betreffende: de uitvoering van een project of de bestuursrechtelijke handhaving daarvan, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en in hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; de toepassing van de hoofdstukken 7, 8, 10, 12, 13, 17, 18 en 19 van de Wet milieubeheer, de toepassing van het Activiteitenbesluit milieubeheer en van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999; de advisering, bedoeld in artikel 6.27 van de Waterwet; de verstrekking van informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur; de toepassing van de hoofdstukken 2 en 3, van titel 4.1, van de afdelingen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3 en van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht; de behandeling van klachten, bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht. 3.. Onder de uitvoering van de in dit besluit bedoelde bevoegdheden wordt tevens verstaan het voeren van correspondentie en het verrichten van alle benodigde voorbereidingshandelingen. 4.. Van het mandaat zijn uitgezonderd: de besluiten en handelingen, bedoeld in artikel 5.26 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het vragen van advies aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 9 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; het verrichten van handelingen en het nemen van besluiten waardoor de overtreding van wettelijke bepalingen of vergunningvoorschriften wordt gedoogd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel