**1..** Het recht, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dit geheven wordt van uitsluitend tot woonhuis dienende eigendommen, wordt vastgesteld op 200 m³ en bedraagt per jaar € 144,75.
**2..** Het recht, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dit geheven wordt van niet uitsluitend tot woonhuis dienende eigendommen, wordt voor het woonhuis vastgesteld op 200 m³ en bedraagt per jaar € 144,75 en het recht voor het niet tot woonhuis dienende eigendom wordt berekend over het meerdere van het afgevoerd water als genoemd in artikel 5 lid 3.
**3..** Het recht, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dit geheven wordt van niet tot woonhuis dienende eigendommen, bedraagt per jaar, wanneer de waterlozing op de gemeentelijke riolering:
**a..** niet meer bedraagt dan 10.000 m³: € 72,38 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan, met dien verstande dat nimmer minder dan € 144,75 verschuldigd is;
**b..** meer bedraagt dan 10.000 m³ doch niet meer dan 100.000 m³: € 7.237,00 vermeerderd met € 44,34 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 10.000 m³;
**c..** meer bedraagt dan 100.000 m³: € 47.143,00 vermeerderd met € 22,49 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 100.000 m³.
Artikel 5
Belastingtarieven
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2009 (Verordening rioolrechten 2009).