Op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden in elk geval met betrekking tot de aanleg de volgende voorschriften in de vergunning opgenomen:
De aanleg van de uitweg wordt door of in opdracht van de vergunninghouder verzorgd.
De vergunninghouder is verplicht bij de aanleg van de uitweg de verkeersmaatregelen te tref-fen, zoals die zijn opgenomen in CROW-publicatie 96b - "Werk in Uitvoering" -, en af te stem-men met de provincie.
Indien een dam met eventueel een duiker en verharding van de tussenberm nodig is om een aansluiting tussen de openbare weg en het perceel te realiseren, worden deze ook door of in opdracht van de vergunninghouder aangelegd.
Het bepaalde in het derde lid is eveneens van toepassing indien verzwaring van de verhar-dingsconstructie van een fietspad benodigd is.
De kosten voor de aanleg van de uitweg en de eventuele dam en duiker komen geheel voor rekening van de vergunninghouder. Dat geldt ook voor de aanvullende kosten die het gevolg van zijn van verzwaring van de in het vierde lid genoemde verhardingscontructie.
De door Gedeputeerde Staten gestelde eisen aan inrichting, vormgeving en waterafvoer.