Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie op de voorgeschreven wijze.
Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet Rijk van Nijmegen
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het Algemeen Bestuur van de ModulaireGemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen op 11 februari 2015,
De Secretaris,
drs. W.G.R.J. van der Linden
De Voorzitter,
drs. H.M.F. Bruls
ALGEMENE TOELICHTING
Per 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. De Participatiewet geeft het college de opdracht personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de wet te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling. Het gaat hierbij om:
personen die algemene bijstand ontvangen;
personen als bedoeld in de artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend;
personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Anw;
personen met een uitkering ingevolgde de IOAW- of IOAZ;
personen zonder uitkering die ingeschreven staan bij het UWV als werkloos werkzoekend.
De Participatiewet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening op te stellen waarin het beleid ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Deze verordenende taak is door de deelnemende gemeenten aan het bestuur van de MGR gedelegeerd. Dat wil zeggen dat niet meer de gemeenteraden maar het bestuur van de MGR bevoegd is de verordening vast te stellen. Het bestuur van de MGR laat zich hierbij leiden door het strategisch beleidskader Werk is de Uitkomst! dat door de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten is vastgesteld.
Het bestuur van de MGR heeft gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht. Die leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Re-integratie is immers maatwerk. Wat in het concrete geval een geschikte voorziening is, is afhankelijk van meerdere factoren waaronder iemands mogelijkheden en beperkingen, iemands opleiding en arbeidsverleden, iemands motivatie etc. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Hoewel in de verordening nog gesproken wordt over de bevoegdheid van het college om voorzieningen aan te bieden, is deze bevoegdheid door de colleges van de deelnemende gemeenten gemandateerd aan het DB van de MGR (zie hiervoor de mandaatsbesluiten van de deelnemende gemeenten) . Dus in de uitvoeringspraktijk bepaalt het DB of iemand een voorziening aangeboden krijgt en welke voorziening dat dan is. Dit gebeurt zo veel mogelijk in samenspraak met de persoon in kwestie. Het behandelen van bezwaren is overigens niet gemandateerd. Daarvoor kan de belanghebbende zich richten tot het college van de gemeente die de voorziening financiert en dat is doorgaans de woongemeente.
De inzet van de voorzieningen is gericht op zo snel mogelijke uitstroom naar reguliere, niet gesubsidieerde arbeid. Voor personen met een verminderde loonwaarde, onder wie ook degenen met een UWV-advies beschut werk, is dit (nog) niet haalbaar. Bij deze personen, al dan niet met een arbeidsbeperking, richt de ondersteuning zich op het vinden van een geschikte werkplek met behulp van de inzet van een (tijdelijke) loonkostensubsidie, dat kan ook een ontwikkelingsbaan zijn.
Verder is het uitgangspunt om de meest lichte adequate voorziening in te zetten. Door een efficiënte en effectieve inzet van middelen kan namelijk zoveel mogelijk mensen perspectief geboden worden en dat is een van de ambities geformuleerd in het strategisch beleidskader.
Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep binnen de kaders van de Re-integratievoorziening aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.
Een aanbod van een voorziening is niet vrijblijvend. Indien iemand weigert gebruik te maken van een voorziening, wordt dit door de MGR doorgegeven aan de woongemeente. Het is vervolgens aan die gemeente om te bepalen of en in welke mate dit gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering.
Artikelsgewijze toelichting
Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
Hoofdstuk 4.
Artikel 18.
Inwerkingtreding en citeertitel
Onderdeel van Re-Integratieverordening Participatiewet Rijk van Nijmgen