Een bestemmingsplan kan voorzien in een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid waarin aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt toegekend om, met inachtneming van bij het plan te stellen voorwaarden, toe te staan dat voorzieningen voor de opslag van mest en veevoer niet binnen maar direct aansluitend op het in een bestemmingsplan aangewezen agrarisch bouwperceel worden gerealiseerd, binnen een afstand van maximaal 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel. Er kan uitsluitend gebruik worden gemaakt van deze bevoegdheid indien:
de noodzaak om deze bouwwerken buiten het agrarisch bouwperceel op te richten is aangetoond;
voldoende wordt voorzien in bescherming van het landschap.
Hoofdstuk
Artikel 2