**1..** In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
de wet: de Participatiewet;
gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet;
woning: een zelfstandige woonruimte met gebruik van keuken en toilet. Onder woning wordt mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
woonkosten: kosten van huur of hypotheeklasten;
kostganger: degene die tegen een financiële vergoeding een te onderscheiden gedeelte van een woning huurt, inclusief een maaltijdvoorziening, van iemand die de woning in zijn geheel huurt, of in eigendom heeft. De huurder/eigenaar en kostganger zijn geen bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
onderhuurder: degene die tegen een financiële vergoeding een te onderscheiden gedeelte van een woning huurt van iemand die de woning in zijn geheel huurt dan wel in eigendom heeft. De huurder/eigenaar en kostganger zijn geen bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
commerciële huurprijs: een kale huurprijs van tenminste € 250,- per maand die is vastgelegd in een schriftelijke, individuele huurovereenkomst. Eventuele vaste lasten, zoals gas, water en elektra worden op de huurprijs in mindering gebracht alvorens toetsing aan de commerciële huurprijs plaatsvindt. Tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen kan geen commerciële overeenkomst worden verondersteld.
commerciële kostgangersovereenkomst: kostgeld van minimaal € 375,- per maand vastgelegd in een schriftelijke, individuele kostgangersovereenkomst, waarbij tenminste inbegrepen huur, gebruik van energie, maaltijden en bewassing. Tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen kan geen commerciële overeenkomst worden verondersteld.
**2..** In deze beleidsregels worden dezelfde begripsbepalingen gebruikt als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.