De opsporing van de in artikel 10 strafbaar gestelde feiten is, behalve aan
de in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering genoemde
opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college van
burgemeester en wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening
zijn belast, ieder voor zover het feiten betreft die in de aanwijzing zijn
vermeld.