Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Vaststelling hoogte aflossing

Onderdeel van Beleidsregels vermogen in eigen woning en krediethypotheek

a.. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. b.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. c.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld. d.. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Wet werk en bijstand dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in artikel 19 en 45 van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt. e.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen Burgemeester en Wethouders zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. f.. Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld onder e., wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. g.. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel