Artikel 9 lid 1 Participatiewet en artikel 37 lid 1 Ioaw/Ioaz bepalen dat belanghebbende naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid dient deze te aanvaarden, te verkrijgen en te behouden. Voor deze verplichting is mede van belang welke arbeid algemeen geaccepteerd wordt geacht.
Algemeen geaccepteerde arbeid wordt gedefinieerd als: alle arbeid die maatschappelijk aanvaard is en die niet indruist tegen de integriteit van de belanghebbende. Het college interpreteert het begrip "indruisen tegen de integriteit" als volgt: er is sprake van indruisen tegen de integriteit van de belanghebbende bij werk in de prostitutie. Van indruisen tegen de integriteit van de belanghebbende kan ook sprake zijn als het werk indruist tegen de (geloofs)overtuiging waarnaar de belanghebbende daadwerkelijk handelt.
Met indruisen tegen de integriteit van de persoon wordt niet bedoeld dat de belanghebbende werk mag weigeren dat hij onder zijn niveau vindt.
De belanghebbende mag ook geen onredelijke eisen stellen in verband met te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid. Onder het stellen van onredelijke eisen in verband met de door de belanghebbende te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden, verkrijgen en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren, wordt ook begrepen het zich dusdanig beperkt opstellen dat bemiddeling naar algemeen geaccepteerde arbeid gefrustreerd wordt. Dit acht het college onder andere het geval bij het vasthouden aan beroepswensen die niet reëel worden geacht, het stellen van onredelijke looneisen, het niet dan wel in te beperkte mate bereid zijn te reizen naar de werkplek, het zich dermate afwijkend gedragen tijdens sollicitatiegesprekken dat bemiddeling niet slaagt. Arbeid als zelfstandige wordt ook gezien als algemeen geaccepteerde arbeid.
6.1 Naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden
Artikel 9 lid 1 Participatiewet en artikel 37 lid 1 Ioaw/Ioaz bepalen dat belanghebbende naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid dient te verkrijgen. Bij het bepalen of een belanghebbende naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid tracht te verkrijgen hanteert het college de volgende vuistregels/minimumeisen:
ingaan op verwijzingen of suggesties naar een werkgever met werk, alsmede ingaan op verwijzingen voor noodzakelijke scholing;
ingaan op verzoeken tot inschrijving bij uitzendbureaus;
conform een plan van aanpak zich inschrijven, dan wel zijn inschrijving vernieuwen, bij uitzendbureaus en het aantal afgesproken sollicitaties per week verrichten;
het opstellen en actualiseren van een c.v.;
het deelnemen aan activiteiten die het solliciteren en de sollicitatievaardigheden bevorderen.
Als het gaat om het “naar vermogen trachten” zal het college steeds individueel beoordelen wat de capaciteiten, vaardigheden en (on)mogelijkheden van de belanghebbende zijn en de op te leggen verplichtingen in het kader van arbeidsinschakeling, daarop afstemmen.
Hoofdstuk A.
Artikel 6.
Algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Beleidsregels verplichtingen en maatregelen Participatiewet 2015