Op grond van artikel 6 lid 4 van de Wgv, gelden voor het grondgebied van de gemeente voor pelsdieren de volgende afstanden (in meters).
Pelsdieren
H 1
Nertsen
1–1000
1001–1500
1501–3000
3001–6000
6001–9000
Deelgebied A en B uit artikel 3
200
225
250
300
400
Deelgebieden C t/m J uit artikel 3
125
150
175
225
275
In de berekening worden jongen en reuen buiten beschouwing gelaten.
Indien zowel nertsen als vossen, dan wel uitsluitend vossen worden gehouden, worden voor het bepalen van de afstand 10 vossen (fokmoeren) gelijkgesteld met 15 nertsen (fokteven). Indien (nadat de eventueel aanwezige vossen zijn omgerekend naar nertsen) meer dan 9000 fokteven worden gehouden, wordt de afstand voor elke extra 3000 fokteven met 100 meter extra vergroot voor de kernen (deelgebied A en deelgebied B uit artikel 3) en met 50 meter extra vergroot voor het overig deel van het grondgebied van de gemeente (deelgebieden C tot en met J uit artikel 3).
Indien de pelsdieren in emissiearme huisvesting (ammoniakemissie ≤ 0,25 kg/dierplaats) worden gehouden, worden de afstanden met 25 meter verminderd.