Naar hoofdinhoud

Artikel III.

Tarieven vergunningparkeren.

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen Vlissingen 2010

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Verordening parkeerbelasting 2010, in relatie met de Parkeerverordening 1992, bedraagt per voertuig: - voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a, onder I en II van de Parkeerverordening 1992, uitgezonderd het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen € 45,60 per jaar; - voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a, onder I en II van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen € 60,90 per maand; - voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a, onder III van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen en/of belanghebbendenplaatsen € 121,80 per jaar; - voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a, onder IV van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen en/of belanghebbendenplaatsen € 121,80 per jaar; - voor dagkraskaarten op grond van artikel 3, tweede lid, letter b van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen € 15,20 per set van 6 kaarten; - voor kraskaarten met een beperkte parkeerduur op grond van artikel 3, tweede lid, letter b van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen € 12,65 per set van 10 kaarten; - voor een vergunning op grond van artikel 3, vierde lid, letter a van de Parkeerverordening 1992, voor alle parkeerapparatuurplaatsen en/of belanghebbendenplaatsen: € 8, 10 per dag of dagdeel of € 30,45 per week of € 482,00 per jaar; - voor een vergunning op grond van artikel 3, vierde lid, letter b van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op belanghebbende plaatsen € 45,60 per jaar; - voor een vergunning op grond van artikel 3, vierde lid, letter c van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen en/of op belanghebbende plaatsen € 121,80 per jaar. Behorend bij de Verordening parkeerbelasting 2010 Vlissingen d.d. 17 december 2009 de griffier, mr. F. Vermeulen Parkeerbelastingen worden geheven in het kader van de parkeerregulering. In het achtste lid van artikel 225 van de Gemeentewet is vastgelegd van welke factoren het tarief afhankelijk kan worden gesteld. Dit zijn: de parkeerduur; de parkeertijd; de ingenomen oppervlakte; de ligging van de terreinen of weggedeelten. Ad : Wanneer de verschuldigde belasting afhankelijk wordt gesteld van de parkeerduur, is het bijvoorbeeld mogelijk om langdurig parkeren te ontmoedigen door het duurder te maken dan kortdurend parkeren. Ad 2: Door de verschuldigde belasting afhankelijk te stellen van het tijdstip waarop geparkeerd wordt, kan de druk op parkeerplaatsen op tijdstippen waarop het autoverkeer intensief is, worden verminderd. Ad 3: Uit de memorie van toelichting: 'Met de afhankelijkheid van de ingenomen oppervlakte is bedoeld aan te geven, dat bijvoorbeeld voor grote voertuigen of combinaties van voertuigen met aanhangers (denk aan caravans, aanhangers of opleggers) een ander tarief kan gelden.'. Ad 4: Als laatste factor wordt genoemd de ligging van de terreinen of weggedeelten. Bepaalde plaatsen binnen een gemeente zullen nu eenmaal meer in trek zijn bij parkeerders, te denken valt aan winkelcentra, musea etc. Gemeenten kunnen in hun verordeningen voor iedere aangewezen plaats een bepaald tarief vaststellen. Op deze wijze kunnen zij enige invloed uitoefenen op de druk op bepaalde parkeerplaatsen binnen de gemeente. Afhankelijk van de situatie ter plaatse kan uit deze vier factoren een optimale combinatie van heffingsgrondslagen in de tarieventabel worden verwerkt. Wanneer een kaart wordt gebruikt, dan dient daarop te worden aangegeven bij welke verordening hij hoort. De kaart wordt gewaarmerkt door de griffier. ·Hof Amsterdam, 11 juni 1999, nr. 97/21708, Belastingblad 1999, blz. 958, LJN: AA7999. Het is toegestaan om bij het vaststellen van de tarieven te differentiëren tussen bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Het Hof overweegt: 'dat geoordeeld moet worden dat de gemeente Hoorn verschillende soorten vergunningen in het leven heeft geroepen om een effectieve parkeerregulering mogelijk te maken. Deze vergunningen hebben, hoewel zij alle beogen de nagestreefde parkeerregulering mogelijk te maken, ten doel verschillende groepen personen te beïnvloeden in hun parkeergedrag. Daarmee is in overeenstemming en de gemeente Hoorn heeft dat in redelijkheid dan ook kunnen doen, dat bij de onderscheiden vergunningen al dan niet betekenis is toegekend aan de in voornoemd artikel 225, achtste lid, Gemeentewet bedoelde factoren. Eveneens is daarmee in overeenstemming dat het tarief van de onderscheiden vergunningen - soms aanmerkelijk - van elkaar verschilt. De door belanghebbende gesignaleerde tariefverschillen zijn niet zodanig groot, en de tarieven zijn in absolute bedragen niet zodanig dat op grond daarvan, en bij de op dit punt aan het hof slechts toekomende marginale toetsing, geoordeeld kan worden dat die tarieven willekeurig zijn vastgesteld en dus onverbindend zouden zijn.' Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel