Naar hoofdinhoud
1.. Er mogen niet meer losse gasflessen/gastanks aanwezig zijn dan als werkvoorraad voor één dag nodig is. 2.. De totale waterinhoud van losse gasflessen/gastanks mag niet groter zijn dan 115 liter. 3.. De ruimte waarin de gasflessen staan moet voldoende zijn geventileerd. 4.. Een flessengasinstallatie moet voldoen aan de norm NEN 1078 en de NPR 3378, dan wel de NEN-EN 12245. 5.. De afstand tussen een opstelling voor gasflessen en overige voor verwarming bestemde brandstoffen moet ten minste 5 m. te bedragen. 6.. Een opslagplaats van gasflessen moet voor het publiek zijn afgesloten door middel van een deugdelijk hekwerk met een hoogte van 2 m, dat is voorzien van het opschrift “ROKEN EN OPEN VUUR VERBODEN” in letters met een hoogte van minimaal 8 cm. 7.. Een opslag van gasflessen/gastanks moet goed aan de buitenlucht worden geventileerd. 8.. LPG mag uitsluitend worden toegepast in een LPG-dampgassysteem (rode tank) dat als zodanig gemonteerd, gekeurd en gecertificeerd moet zijn volgens de norm NEN-EN 1949:2002 en de norm NEN-EN 1949:2002/A1:2005. 9.. Gasflessen moeten zijn voorzien van een door Lloyds Register-Stoomwezen erkend geldig keurmerk of het Europese keurmerk PIE (p) volgens de Europese richtlijn 1999/36/EG. 10.. De aanwezigheid van gasflessen waarvan de goedkeuring volgens de ingeponste datum meer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden, is verboden. Voor Shell-benegas en Primagas flessen is dit 15 jaar. 11.. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. 12.. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. 13.. Afsluiters moeten tegen beschadigen worden beschermd. Als de bescherming uit een afneembare kop bestaat, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn aangebracht. 14.. Het gebruik van een reduceerventiel (drukregelaar) dat ouder is dan 5 jaar is verboden. 15.. Een verbruikstoestel mag uitsluitend op de standplaats in werking zijn. Tijdens het transport van de bakwagen moeten de afsluiters van gasflessen en/of gastank te allen tijde zijn gesloten. 16.. Alle toegepaste appendages moeten van een door Lloyds Register-Stoomwezen goedgekeurd type zijn of voorzien van een Gastec QA. 17.. Het leidingnet moet zijn uitgevoerd als een vaste leiding van metaal. Aan het einde van elk aftakpunt van de vaste leiding naar een gebruikstoestel moet zich een afsluiter bevinden. 18.. Het gebruik van een gasslang is alleen toegestaan: voor het aansluiten van een verbruikstoestel op het leidingnet; als koppelslang tussen een gasfles/gastank en het leidingnet; als koppelslang tussen een gasfles/gastank en een manifold. 19.. Elke verbindingsslang tussen een drukhouder en een verbruikstoestel e.d. moet: voorzien zijn van het opschrift “butaangas of propaangas” en voldoen aan de eisen, gesteld in de normen NEN 5654 van juli 1980 of de NEN-EN 559. zijn vervaardigd van synthetische rubber met één of meer staaldraad en/of textielinlagen. bij een gebruik van de zwarte gasslangen voor butaangas niet ouder zijn dan twee jaar, en bij gebruik van de oranje slangen voor propaangas niet ouder zijn dan vier jaar; door middel van slangklemmen op slangpilaren zijn bevestigd; vrij en ongespannen zijn aangelegd; zodanig zijn aangebracht dat blootstelling aan ontoelaatbare temperatuursinvloeden en/of mechanische beschadiging wordt voorkomen; zo kort mogelijk zijn gehouden. NB Propaanslangen zijn erin twee uitvoeringen: de oranje/bruin gekleurde, met op de slang het jaar van aanmaak aangegeven en de zwarte slang met vaste metalen koppelingen. Het jaar van fabricage is hier ingeponst op de metalen koppeling.

Rechtspraak bij dit artikel