In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de Awb.
80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevel
Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.
80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen
Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de naheffingsaanslag.
Beknopte toelichting op de wijzigingen van de Leidraad Invordering van belastingen die verband houden met de wijzigingen van de rijksleidraad en aangepast is aan de situatie DOWR.
Wijzigingen per 1 januari 2014
Artikel A bevat een verduidelijking van het beleid rond de verplichting tot marginaal toetsen door de ontvanger. Aanleiding is een rapport van de Nationale ombudsman van 23 oktober 2013. De marginale toetsing beperkt zich tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. Invorderingsmaatregelen die op het moment van een verzoek om marginale toetsing inmiddels zijn genomen, draait de ontvanger dus niet terug tenzij het gaat om een invorderingshandeling, waaronder begrepen verrekening, die binnen een maand voor indiening van het verzoek plaats vond.
Artikel H stelt buiten twijfel dat de ontvanger bij een vordering ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige de beslagvrije voet toepast alsof de echtgenoot de belastingschuldige was, voor zover het periodieke uitkeringen betreft die onder de opsomming van artikel 19, eerste lid van de Invorderingswet 1990 vallen. De echtgenoot is namelijk geen schuldenaar in de zin van artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel I en j houden verband met het rapport Paritas Passé. De wijzigingen zien op toepassing van de beslagvrije voet door de ontvanger als deze een loon- of andere vordering dan wel overheidsvordering heeft gedaan.
Wijzigingen per 1 juli 2014
Artikel B bevat een aanpassing van artikel 7a.2. De zinsnede “bijvoorbeeld omdat de rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent en ook de (eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de restitutie niet toelaat” is voor belastingschulden, bankmedewerkers en betrokkenen bij de fiscale uitvoering niet helder genoeg geformuleerd. De bedoeling van deze passage is om duidelijk te maken dat een debetstand op zichzelf geen aanleiding is voor de ontvanger om direct tot hernieuwde uitbetaling over te gaan. De aanpassing van artikel 7a.2 brengt op dit punt een verduidelijking aan.
Artikel D bevat een verduidelijking van de manier waarop de ontvanger de beslagvrije voet moet toepassen op de uitkering van vakantiegeld.
Artikel G bevat een verduidelijking van het begrip smartengeld in het kader van kwijtschelding.
Wijzigingen van het eigen beleid
De wijzigingen gaan over de samenwerking van de gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte. Met de wijzigingen wordt beoogd duidelijker te verwoorden bij welke van de samenwerkende gemeenten de bevoegdheid tot uitvoering ligt.
Met de wijzigingen van het eigen beleid is beoogd aan te sluiten bij de regels van de automatische incasso zoals deze in de verordeningen van diverse belastingsoorten zijn opgenomen.
Hoofdstuk
Artikel 80
Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen)
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen