dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waar¬bij een gedeelte
van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
week: een aaneengesloten periode van zeven dagen;
maand: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalendermaand tot
en met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand;
jaar: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot
en met de (n-1)e dag in het volgende kalenderjaar;
kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december.