**1..** De hoogte van de geldlening, bedoeld in artikel 1, wordt bepaald aan de hand van de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d van de WWB.
**2..** Vaststelling van de waarde van de woning vindt plaats op basis van de waarde, zoals weergegeven op de laatst afgegeven beschikking voor de onroerende zaakbelasting. Deze waarde wordt geacht de waarde in het economisch verkeer te zijn. Indien de belanghebbende tevoren aangeeft met deze wijze van waardebepaling niet in te stemmen, vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overleg met de belanghebbende wordt aangewezen. In het laatste geval geldt het bepaalde in het vierde lid.
**3..** Indien en voorzover de woning geen registergoed is, of er anderszins geen beschikking voor de onroerende zaakbelasting bekend is, geschiedt taxatie door een erkende taxateur. Aanwijzing van de taxateur geschiedt overeenkomstig het gestelde in het tweede lid.
**4..** De kosten verbonden aan de taxatie, de pand- of hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek of het pandrecht, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand.
Artikel 6. Opname voorwaarden in hypotheekakte c.q. pandovereenkomst
Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden, genoemd in de artikelen 7 en 8.
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte c.q. pandovereenkomst.
Artikel 7. Aflossingsvoorwaarden hypotheek c.q. pand
Aflossing van de geldlening vindt, vrij van rente, plaats gedurende een periode van ten hoogste tien jaar.
De in het eerste lid bedoelde aflossing vangt aan na beëindiging van de bijstandsverlening, vanaf het moment dat de betalingsverplichting is opgelegd, en vindt maandelijks plaats.
Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van twee jaar vastgesteld, tenzij de aflossing voldoende is om de gehele geldlening binnen de periode van tien jaar af te lossen. De aflossing wordt als regel bepaald op de helft van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief eventuele toeslag of verlaging.
Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de WWB dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1 tot en met 3.3 van de wet, wordt geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt.
Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt - zo nodig tussentijds -, het bedrag van de maandelijkse aflossing herzien.
Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar verwijtbaar nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 8. Rentevordering
Indien door toepassing van artikel 7, derde tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
De rente, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75 % van de wettelijke rente.
Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente, die daardoor niet wordt betaald, bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Indien belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
De totale betalingsverplichting aan rente en aflossing wordt als regel bepaald op de helft van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm.
Artikel 9. Aflossing geldlening bij vererving en verkoop woning
Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 7, derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
Bij verkoop van de woning kan het college, na toepassing van het eerste lid, wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard aan de zijde van belanghebbende, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning binnen de gemeente Almelo, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
Indien bij verkoop van de woning, op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering, het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
Artikel 10. Toepassing laatst gevestigde hypotheek c.q. pandrecht bij niet-duurzame onderbreking bijstandsverlening
Indien binnen een periode van een jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband
van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de
laatst gevestigde hypotheek c.q. het laatst gevestigde pandrecht.
Artikel 11. Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en de rentevorderingen.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 12.
Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van deze beleidsregel, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 13. Onvoorziene situaties
In gevallen waarin deze beleidsregel niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.
Hoofdstuk 2.
Artikel 5.
Hoogte hypotheek, pandrecht, taxatie woning, vestigingskosten ten laste van belanghebbende
Onderdeel van Beleidsregel Krediethypotheek en Pandrecht WWB