Leerlingen die met aangepast vervoer naar school gaan, kunnen gedrag vertonen wat onacceptabel is, omdat het daarmee een gevaar voor zichzelf en/of anderen veroorzaakt, bedreigend is, of onhygiënisch. Wanneer zo’n situatie zich voordoet wordt onderzocht of hier een medische oorzaak aan ten grondslag ligt. Afhankelijk van het medische advies wordt de verstrekte voorziening zo nodig aangepast.
Wanneer blijkt dat een leerling niet zelfstandig met het aangepaste vervoer kan reizen, is de ouder in beginsel verantwoordelijk voor de begeleiding, of het organiseren van de begeleiding van de leerling. Hiertoe dient de gemeente de ouders in staat te stellen door zitruimte in het voertuig aan te bieden. Wanneer aantoonbaar is dat de begeleiding niet geleverd wordt en/of het gedrag van de leerling ook met eventuele begeleiding niet ten positieve keert, kan de gemeente besluiten het aangepaste vervoer te beëindigen. Ook wanneer er een medische oorzaak is aan te wijzen voor de misdragingen en die misdragingen kunnen met het bieden van begeleiding onder controle gehouden worden, zijn het de ouders die de begeleiding dienen te organiseren.
Bij leerlingen die ontoelaatbaar gedrag vertonen in het aangepaste vervoer worden ouders schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt hen de gelegenheid geboden hun kind te (laten) begeleiden. Hiertoe kan de gemeente een zitplaats beschikbaar stellen. Wanneer het gedrag niet verbetert, kan de gemeente besluiten het aangepaste vervoer voor deze leerling te beëindigen. Over de noodzaak van begeleiding, over de noodzaak om eventueel externe begeleiding in te zetten namens de gemeente en/of over de noodzaak van de inzet van een individuele vervoersvoorziening kan de gemeente zich laten adviseren door een medisch deskundige.