1 Parkeervergunningen verleend krachtens de Parkeerverordening 1997 blijven,
indien deze vergunning niet eerder is vervallen of ingetrokken, nog tot 1
januari 1999 van kracht.
2 Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
aanvraag voor een parkeervergunning is ingediend en voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist,
worden daarop de overeenkomstige bepalingen van de onderhavige verordening
toegepast.
3 In afwijking van het in het eerste lid bepaalde blijft een
parkeervergunning van kracht totdat onherroepelijk is beslist op een
aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig
opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning indien deze aanvraag ten
minste zestig dagen voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn
bij
het bevoegd orgaan is ingediend.