Naar hoofdinhoud

Afdeling II,

Artikel 3

uitgiftecriteria

Onderdeel van Parkeerverordening 1999

1 Het college van burgemeester en wethouders kan op een daartoe strekkend verzoek een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. 2 Een vergunning kan worden verleend aan: a de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (per adres wordt niet meer dan één vergunning verleend); b de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (per bedrijf wordt er niet meer dan één vergunning verleend). c de eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate op een autodateplaats. 3 Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ook een vergunning verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen (voertuigen) die niet voldoen aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden (zie hiervoor de aparte en aanvullende uitgiftecriteria per weggedeelten). 4 Het college van burgemeester en wethouders kan per openbaar bekend gemaakt besluit voor weggedeelten aparte en aanvullende uitgiftecriteria en voorwaarden vaststellen. 5 Aan de vergunning kunnen beperkingen worden verbonden zowel met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. 6 Het college van burgemeester en wethouders kan aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

Rechtspraak bij dit artikel