1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
bevindt zich: a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere
afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven,
geldt de grootste; b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand
van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter; c. in een slechts aan drie zijden
bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op
een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; d. in een slechts
aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen
rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; e. in alle niet onder a
tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met
inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d
van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
15 meter. 2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van
die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht - over een
afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten
minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.
3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
Hoofdstuk
Artikel 2.5.11
Ligging achtergevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening Alphen-Chaam 2015