1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich in het door hem
aangewezen gebied gedraagt in strijd met:
artikel 2:1, eerste lid (samenscholing);
artikel 2:48, eerste lid (hinderlijk drankgebruik);
artikel 2:49, eerste lid (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen);
artikel 2:74 (drugshandel op straat);
artikel 2:74a (openlijk drugsgebruik);
artikel 2:74b (verzameling van personen in verband met harddrugs)
een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uren te
bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw in het aangewezen gebied gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden.
Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.
De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede en derde lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.