Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 6

Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

Onderdeel van Reglement van orde van de raad 2014

1.. Voor de benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad, op aanbeveling van de voorzitter, aan het begin van een raadsperiode een commissie in bestaande uit drie leden en één plaatsvervangend lid, zijnde leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden. 2.. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. 3.. Na de gemeenteraadsverkiezingen, in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling, onderzoekt de commissie de processen-verbaal van de stembureaus en van het centraal stembureau en geeft aan de raad een advies over de rechtmatigheid van de gehouden gemeenteraadsverkiezingen. 4.. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, als bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5.. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 6.. Bij de benoeming van een wethouder van buiten de raad onderzoekt de commissie vooraf of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet en doet daarvan verslag aan de raad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel