1.De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolgde artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel
indien gebruik door meerdere leden van een huishouden, het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;
ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan, degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan; degene die het deel ten gebruike heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat gedeelte ten gebruike is afgestaan;
ingeval een perceel voor volgtijdig gebruik ter beschikking wordt gesteld, degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld; degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
Hoofdstuk
Artikel 4
Belastingplicht
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2010