Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als dit naar het oordeel van het college bij kan dragen aan de arbeidsinschakeling.
Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
Artikel 6. Detacheringbaan
Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep toe leiden naar een dienstverband gericht op detachering bij een derde partij.
De werknemer wordt vanuit dat dienstverband voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een inlenende organisatie.
De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.
Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 7. Scholing
Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.
Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
De scholing moet passen bij de capaciteiten van de persoon en
duidelijk arbeidsmarktrelevant zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a van de wet.
Artikel 8. Participatieplaats
Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.
Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.
De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de wet bedraagt € 100per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk
Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.
Het college bepaalt voor welke personen uit de doelgroep advies wordt ingewonnen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.
Om de in artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, kan het college noodzakelijke ondersteunende voorzieningen inzetten, zoals fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk. In verband hiermee overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.
Artikel 10. Persoonlijke ondersteuning
Het college kan de voorziening persoonlijke ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die zonder ondersteuning de aan hem opgedragen werkzaamheden niet kan verrichten.
De wijze waarop, de tijdsduur en de mate waarin de persoonlijke ondersteuning plaatsvindt, wordt door het college nader uitgewerkt in beleidsregels.
Artikel 11. No-riskpolis
De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b van de Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor werkgevers vergoeden.
Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:
de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;
de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep;
artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is;
de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente; en
de werkgever een contract heeft met een gecertificeerde arbodienst of bedrijfsarts.
De no-riskpolis vergoedt:
het loon van de werknemer en een percentage boven die dekking voor extra werkgeverslasten;
de wettelijke overlijdensuitkering aan de nabestaande(n) indien de werknemer door ziekte of ongeval komt te overlijden.
Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.
Het college verstrekt de no-riskpolis – al naar gelang de door het college te bepalen noodzaak – gedurende 6, 12 of 24 maanden na indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.
Artikel 12. Loonkostensubsidie duurzame uitstroom
Het college kan, ten behoeve van werkzoekenden die niet tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid onderdeel a behoren, een loonkostensubsidie verstrekken aan de werkgever die met de werkzoekende een arbeidsovereenkomst sluit.
De loonkostensubsidie wordt individueel bepaald, maar bedraagt ten hoogste 50% van het wettelijk minimumloon per maand.
De loonkostensubsidie wordt voor de duur van zes maanden verstrekt, maar kan met een periode van maximaal zes maanden worden verlengd als daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat.
De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing van niet gesubsidieerde arbeid plaatsvindt.
De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer.
Het college kan beleidsregels opstellen ter nadere definiëring.
Artikel 13. Stimuleringspremies
Het college kan aan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een premie verstrekken als bedoeld in artikel 31 lid 2, sub j om daarmee de uitstroom uit de uitkering te stimuleren.
Het college stelt – als tot verstrekking van premies bedoeld in het eerste lid wordt overgegaan – bij uitvoeringsbesluit nadere regels met betrekking tot de activiteiten die voor een premie in aanmerking komen, de hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 14. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 15. Intrekken oude verordening en overgangsrecht
De Re-integratieverordening WWB, Ioaw en Ioaz 2012 wordt ingetrokken.
Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening WWB, Ioaw en Ioaz 2012, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening WWB, Ioaw en Ioaz 2012:
voor de duur van 12 maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, of
voor de duur dat deze is toegekend, als dat korter is dan de periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a bedoelde periode, besluiten of een voorziening op basis van de nieuwe verordening wordt voortgezet.
De Re-integratieverordening WWB, Ioaw en Ioaz 2012 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.
Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet 2015.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18-12-2014.
De griffier, De voorzitter,
D.Berends C.C. Leppink-Schuitema
Hoofdstuk 3.
Artikel 5.
Sociale activering
Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet Montferland 2015