Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 2.16

Voortijdige vaststelling wegens wijziging natuurbeheertype

Onderdeel van Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Provincie Groningen 2016

1. . Een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.2, onder a, kan een aanvraag indienen voor het geheel of gedeeltelijk voortijdig vaststellen van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Groningen treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype. 2. . Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voortijdig naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, als de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan; de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte natuurkwaliteit; en de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes na afronding van de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige regeling heeft aangevraagd en ontvangt. 3. . De subsidieaanvraag voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14c van de provinciale Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap. 4. . Indien een subsidie voor het beheer van het gewijzigde natuurbeheertype als bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt ingetrokken omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de instandhoudingsplicht als bedoeld in het tweede lid, onder c, weer van toepassing tot de termijn van zes jaar, of minder in geval van eenmalige gelijktrekking van beheerperiodes, na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel