** 1. .** Om te voorzien in de onmiddellijke liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger verrichten Gedeputeerde Staten op aanvraag een betaling, voorafgaande aan de in artikel 3.12 bedoelde voorschotbetaling, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
de betaling vindt plaats tussen 1 januari en 1 juli van het kalenderjaar waarop de voorschotbetaling betrekking heeft;
de betaling bedraagt 20% van de totale subsidie die aan de subsidieontvanger per kalenderjaar is verleend;
Gedeputeerde Staten brengen bij de voorschotbetaling, bedoeld in artikel 3.12, vierde lid, de betaling bedoeld in onderdeel a, in mindering op het voorschot.
** 2. .** Indien het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde voorschot ontoereikend is om de betaling geheel in mindering te brengen, verrekenen Gedeputeerde Staten het openstaande bedrag met de te verstrekken voorschotten voor de daaropvolgende kalenderjaren of, indien dit niet mogelijk is, bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14.
** 3. .** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het laatste jaar van het subsidietijdvak, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, de betaling bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14, in mindering brengen op de te verstrekken subsidie.
** 4. .** Gedeputeerde Staten besluiten pas tot toekenning van de in het eerste lid bedoelde betaling, nadat overeenstemming met de Europese Commissie is bereikt dat artikel 7 van Verordening (EU) 2022/1173 niet langer in de weg staat aan wijzigingen als bedoeld in artikel 3.11, onderdelen d tot en met f.