** 1. .** Om te voorzien in de onmiddellijke liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger, doen Gedeputeerde Staten, voorafgaande aan de in artikel 3.12 bedoelde voorschotbetaling, voor het betreffende jaar een betaling, waarbij geldt dat:
de betaling plaatsvindt tussen 16 oktober en 30 november van het kalenderjaar waarop de voorschotbetaling betrekking heeft;
de betaling 30% van de totale subsidie bedraagt die aan de subsidieontvanger per kalenderjaar is verleend;
Gedeputeerde Staten bij de voorschotbetaling, bedoeld in artikel 3.12, vierde lid, de betaling bedoeld in onderdeel a, in mindering brengen op het voorschot;
de aanvraag voor deze betaling gelijktijdig plaatsvindt met het indienen van de verantwoording als bedoeld in artikel 3.11 onder g.
** 2. .** Indien het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde voorschot ontoereikend is om de betaling geheel in mindering te brengen, verrekenen Gedeputeerde Staten het openstaande bedrag met de te verstrekken voorschotten voor de daaropvolgende kalenderjaren of, indien dit niet mogelijk is, bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14.
** 3. .** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het laatste jaar van het subsidietijdvak, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, de betaling bij de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.14, in mindering brengen op de te verstrekken subsidie.