**1..** In de eerste vergadering van de colleges in de nieuwe
zittingsperiode, wijzen zij de nieuwe leden en plaatsvervangende
leden van het Algemeen Bestuur aan. Aftredende leden en
plaatsvervangende leden kunnen opnieuw worden aangewezen.
**2..** Totdat de colleges in hun opvolging hebben voorzien, blijven de
eerder aangewezen leden en plaatsvervangende leden, die op grond van
artikel 8 hadden moeten aftreden, als zodanig functioneren.
**3..** Het college van een gemeente kan de aanwijzing van een door hem
aangewezen lid of plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur te
allen tijde intrekken. Hiervan wordt onmiddellijk mededeling gedaan
aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur.
**4..** Indien tussentijds een plaats van een lid of plaatsvervangend lid
van liet Algemeen Bestuur ter beschikking komt, wijst het
betreffende college in zijn eerstvolgende vergadering óf, zo dit
niet mogelijk mocht zijn, ten spoedigste een nieuw lid of
plaatsvervangend lid aan.
**5..** In het geval dat het gaat om een tussentijdse ontslagname, stelt het
lid of het plaatsvervangend lid de voorzitter van het Algemeen
Bestuur en het desbetreffende college hiervan op de hoogte. De
tussentijdse ontslagname is onherroepelijk. De leden en
plaatsvervangende leden, die tussentijds ontslag hebben genomen,
behouden hun lidmaatschap en plaatsvervangend lidmaatschap, totdat
onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.
**6..** Elke aanwijzing tot lid of plaatsvervangend lid van het Algemeen
Bestuur delen de deelnemende gemeenten binnen 8 dagen na de datum
van aanwijzing schriftelijk mede aan de voorzitter van het Algemeen
Bestuur.