1.Het aan een bepaalde functionaris verleende mandaat wordt eveneens geacht te zijn verleend
aan de betrokken hiërarchisch hogere functionarissen.
2.De mandaatverlening laat de hiërarchische zeggenschapsverhoudingen binnen de organisatie
onverlet. Leidinggevenden kunnen instructies en aanwijzingen geven voor de uitoefening van het
mandaat, mits zij blijven binnen de grenzen van het mandaat en de eventueel door de
mandaatgever gegeven instructies als bedoeld in art. 10:6 Awb.