Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van
zijn de volgende beleidsregels vastgesteld:
Een bijbehorend bouwwerk dient gericht te zijn op een vergroting van het woongenot;
Een uitbreiding in het voortuingebied van een woning, mits:
de diepte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste 1,50 meter bedraagt;
er door de realisatie van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk een voorerf resteert met een minimale diepte vóór het aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 3,50 meter;
de breedte ten hoogste tweederde van de oorspronkelijke breedte van de desbetreffende gevel van de woning bedraagt;
de goot- en/of nokhoogte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de aangrenzende bouwlaag, met dien verstande dat de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,30 meter.
In het achtertuingebied mag een bijbehorend bouwwerk worden opgericht, mits:
de goot- en/of bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste 3.30 meter bedraagt, waarbij de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de goothoogte van het hoofdgebouw;
de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten hoogste 5 meter bedraagt, waarbij de goothoogte maximaal 3.30 meter mag bedragen;
een kap op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk, mits het aangebouwde bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat:
de bouwhoogte ten hoogste 6.60 meter bedraagt waarbij de nok van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk minimaal 2 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft;
de goothoogte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk ten hoogste 3.30 meter bedraagt, waarbij deze goothoogte niet meer bedraagt dan de goothoogte van het hoofdgebouw;
bij vrijstaande woningen aan één zijde van de woning een strook van minimaal 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens vrij blijft van vergunningplichtige bouwwerken;
bij bestaande woningen al binnen deze 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens gebouwen zijn gebouwd, mag een bijbehorend bouwwerk in diezelfde lijn worden gebouwd;
de gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken, voor zover ze zijn gelegen in het achtertuingebied buiten de bebouwingsgrens en/of het bebouwingsvlak (zoals in het bestemmingsplan is aangegeven), bedraagt ten hoogste:
75 m²;
100 m² voor percelen groter dan 500 m²;
125 m² voor percelen groter dan 1000 m²;
er van het achtertuingebied, dat is gelegen buiten de bebouwingsgrens en/of het bebouwingsvlak (zoals in het bestemmingsplan aangegeven), minimaal 50% onbebouwd en onoverdekt dient te blijven.
Artikel 4