1Een voorziening die is verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget en op grond van artikel 9.1 lid 1 is beëindigd of een voorziening die is toegekend in een beschikking die op grond van artikel 9.2 geheel of gedeeltelijk is ingetrokken, kan worden teruggevorderd voor zover:
1 a een reeds betaald bedrag ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald
is als gevolg van het (gedeeltelijk) intrekken of beëindigen;
b de voorziening als gevolg van verwijtbaar gedrag is ingenomen en aan de
inname van de voorziening kosten verbonden zijn;
c de voorziening in natura is verstrekt en vanwege verwijtbaar gedrag niet zinvol te herstellen is of niet kan worden ingenomen waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijvingstermijn van de verstrekte voorziening;
d de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is verstrekt
en de voorziening niet kan worden ingenomen waarbij rekening wordt
gehouden met de afschrijvingstermijn van de aangeschafte voorziening;
e de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget of een
financiële tegemoetkoming is toegekend en het terug te vorderen bedrag
niet (volledig) kan worden verrekend met een voorziening die is toegekend
op grond van deze verordening.
2Van verwijtbaar gedrag is in ieder geval sprake als de beschikking is ingetrokken op grond van artikel 9.2 sub d en de persoon aan wie de voorziening was toegekend, wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de gegevens onjuist en/of onvolledig waren of als de beschikking is ingetrokken op grond van artikel 9.2 sub a waarbij sprake is van een omstandigheid genoemd in artikel 9.1 lid 1 sub g, h of i.